Bijzondere Waarnemingen in 2020

16 februari 2020: Ooievaarsbekkraterbultje op de Brunssummerheide (Limburg)

Ooievaarsbekkraterbultje
Coleroa circinans leeg plaatjeEerste melding voor Nederland!
<i>Coleroa circinans</i>
Mark Smeets (2020)
Op zondag 16 februari besloot ik storm Dennis te trotseren en een tochtje te maken op de Brunssummerheide met mijn zus Vera. Hier vonden we een geraniumsoort die door Tim van de Vondervoort werd gedetermineerd als de Ronde ooievaarsbek (Geranium rotundifolium). Het is een soort die zich thans sterk aan het verspreiden is. Boven op het blad van deze geranium vonden we zwarte puntjes van een schimmel. De kleine vruchtlichamen van plusminus 0.1 mm bleken bezet met stekels. Het verwante Robertskruidkraterbultje (Coleroa robertiani) heeft die niet. Onder de microscoop vielen de setae en de kenmerkende eenmaal gesepteerde sporen van ongeveer 10-5 µm op. Via het boek van Julia Kruse kwam ik er achter dat het Robertskruidkraterbultje een “gestekeld broertje” heeft. Deze parasiteert onder andere op het blad van de Ronde ooievaarsbek. Julia Kruse en Nico Dam waren zo vriendelijk om deze waarneming te valideren. Waarschijnlijk is deze soort thans helemaal niet zeldzaam in Nederland! Inmiddels is de soort op meerdere plaatsen aangetroffen.

Literatuur:
J. Kruse (2019): Faszinierende Pflanzenpilze, blz. 208.
M.B. Ellis & J.P. Ellis (1997): Microfungi on Land Plants, blz. 363.

4 maart 2020: Oranje meelschijfje in boswachterij Dorst (Noord-Brabant)


Oranje meelschijfje
Aleurodiscus amorphus
<i>Aleurodiscus amorphus</i>
Henk van der Wijngaard (2020)
Op 4 maart ging ik samen met Theo Strik naar boswachterij Dorst om op zoek te gaan naar voorjaarspaddenstoelen. Op de terugweg naar de auto draaide ik nog een aantal takken om. Op een sparrentak vond ik dit roze zwammetje, dat we niet thuis konden brengen. Theo was van mening dat het iets bijzonders kon zijn en besloot het takje mee te nemen voor verdere determinatie. Thuis gekomen heb ik de foto’s op enkele facebookgroepen en op het forum van waarneming.nl geplaatst. Al gauw kwam er reactie van Martine Verbiest dat het wel eens kon gaan om het Oranje meelschijfje. Theo heeft de zwammetjes microscopisch onderzocht, en de grote, ronde licht-ovale, fijn stekelige sporen van 25-30 x 22-25 µm, bleken prima overeen te komen met de suggestie van Martine. Björn Wergen heeft de soort bevestigd. Volgens de Rode Lijst (1989) staat het Oranje meelschijfje te boek als uitgestorven, maar is recent weer gevonden in Zeeland en Zuid-Limburg.

Literatuur:
Breitenbrach & Kränzlin (1981): Pilze der Schweiz, vol. 1, blz. 78.
T. Læssøe & J. Petersen (2019): Fungi of Temperate Europe, vol. 2, blz. 1026.

16 februari 2020: Kortstekelig lindebultje in Tiel (Gelderland)


Kortstekelig lindebultje
Corynesporia olivacea
<i>Corynespora olivacea</i>
Rinus Baggerman (2020)
Het loont de moeite om na een storm afgevallen takken te bekijken op het voorkomen van ascomyceten. Zo vond ik al eerder na een storm op lindetakken in het Zoelense bos het Schijftrilkorstje (Achroomyces disciformis en het Korstekelig lindebultje. Op 11 februari, na alweer een storm, besloot ik in mijn woonplaats Tiel ook eens onder linden te gaan zoeken. En jawel, ook hier vond ik het Kortstekelig lindebultje. Het zijn wat stekelig uitziende grijzige bolletjes met een groene zweem van ongeveer 1 mm doorsnede. Corynesporia olivacea is de ongeslachtelijke vorm van Helminthisporium oligosporium. De conidia (ongeslachtelijke sporen) zijn wormvormig, gesepteerd en tot 80 μm lang. Op linde komt ook nog Helminthisporium tiliae voor (niet uit Nederland bekend). De conidia daarvan zijn langer en slanker dan die van het Kortstekelig lindebultje. Jan Knuiman was zo vriendelijk de microscopie voor zijn rekening te nemen. Het Korststekelig lindebultje staat op de verspreidingsatlas te boek als uiterst zeldzaam met slecht zes vondsten, maar lijkt algemeen.

Literatuur:
H. Voglmayr & W.M. Jaklitsch (2017): Corynespora, Exosporium and Helminthosporium revisited - New species and generic reclassification. Studies in Mycology, vol. 87: 43-76.

1 februari 2020: Lindtneria panphyliensis in het Kralingse bos (Zuid-Holland)


Getande vleugelspoorkorstzwam
Lindtneria panphyliensis
<i>Lindtneria panphyliensis</i>
Jenny en Conny van Gemerden (2020)
Op 1 februari bezochten mijn zus Conny en ik onze favoriete struinplek in Rotterdam, het Kralingse bos. In een rommelig stukje aan de Kralingse plas zagen we een koraalzwam staan. Omdat we niet wisten welke soort het was, hebben we foto’s ervan op de facebookgroep van de NMV gezet. Hierop reageerde Björn Wergen dat hij meer geïnteresseerd was in een gelig korstzwammetje op een stukje rottend hout dat in de buurt lag. Hij heeft het zwammetje microscopisch onderzocht en gedetermineerd als de Getande vleugelspoorkorstzwam (Lindtneria panphyliensis). De soort heeft ellipsvormige sporen (afmetingen, 6.4-7.7 x 4.5-5.3 µm). Binnen het geslacht Lindtneria is er slechts één gelijkende soort, namelijk Lindtneria hydnoidea (niet uit Nederland bekend) met ronde sporen. Andere gelig gekleurde zwammetjes met een getand oppervlak, zoals het Getand krentenbrijkorstje (Cristinia gallica), kunnen ook microscopisch van de Getande vleugelspoorkorstzwam worden onderscheiden. De soort is vrij zeldzaam in Nederland en is eerder gemeld van 18 atlasblokken.

Literatuur:
B. de Vries, N. Dam & H. Wassink (2006): Op stap met polderjongens. Cristella-weekend 2006. Coolia 49(4): 191-196.
B. de Vries, (2005): Cristella-weekend 2004. Coolia 48(2): 86-91.

30 januari 2020: Lasionectria vulpina in de Haarlemmermeer (Noord-Holland)

Lasionectria vulpinaleeg plaatjeTweede vondst van Nederland!
<i>Lasionectria vulpina</i>
Laurens van der Linde (2020)
Op 30 januari ging ik naar een plek in de Haarlemmermeer waar in 2002 de Floriade is geweest. In een gebied met veel vochtige kleigrond zijn destijds bomen en struiken rond die plek geplant. In de winter ligt er veel dood hout en dan zoek ik graag naar kleine zwammetjes die daarop groeien. Onlangs vond ik daar op de grond een tak met meerdere groepjes kleine zwammetjes. Thuisgekomen vond ik in het boek "Fungi of Temperate Europe" (zie Literatuur) een foto van een zwammetje dat er sprekend op leek, namelijk Lasionectria vulpina. Björn Wergen bevestigde dat het inderdaad L. vulpina betrof. Het is een ascomyceet met dikwandige, verspreide haren die zich van gelijkende soorten onderscheidt door de lengte (kleiner dan 12 μm) van de licht gestreepte sporen. De strepen op de sporen kunnen zichtbaar gemaakt worden in een oplossing van katoenblauw. Vorig jaar is de eerste vondst aangemeld (Bakkeveen, zie onder Literatuur). Mijn vondst is de tweede van Nederland en daar ben ik best blij mee.

Literatuur:
T. Læssøe & J. Petersen (2019): Fungi of Temperate Europe, vol. 2, blz. 1538.
E. Osieck in A. van der Putte (red) (2019): Christella Bakkeveen, 22-24 maart 2019. Coolia 63(1): 38-40.

16 januari 2020: Resupinatus europaeus in het Azewijnse Broek te Gendringen (Gelderland)

Resupinatus europaeusleeg plaatjeNieuw voor Nederland!
<i>Resupinatus europaeus</i>
Marjon van der Vegte (2020)
Op 16 januari ging ik samen met collega-mycologen een kijkje nemen in het Azewijnse Broek te Gendringen, een zeer oud wilgen-elzenbroekbos op zandige klei. Vanwege het zachte weer de laatste weken vonden we al heel wat soorten. Een plekje met een oude vergane wilg boeide me in het bijzonder. Hier ontdekte ik namelijk twee schelpjes van 6 en 7 mm doorsnede, van boven aangehecht aan de zijkant van een ontschorste stam, met een vezelig lichtgrijzig oppervlak en grijzige lamellen. Microscopisch onderzoek toonde geen zogenaamde metuloïden, dikwandige cheilo- en pleurocystiden met kristallen aan de top. Daardoor kon een harpoenzwam worden uitgesloten. Ik zag echter wel coralloïde (koraalvormige) cheilocystiden die ook voorkomen bij het geslacht Resupinatus, alleen de allantoïde (gekromde) sporen kwamen mij onbekend voor van dit geslacht in Nederland. Via de sleutel van Consiglio en Setti kwam ik terecht bij Resupinatus europaeus, het enige dwergoortje met allantoïde sporen. Het is een nieuwe soort voor Nederland en we zullen zeker meer leuke soorten in dit waardevolle gebied gaan vinden!

Literatuur:
G. Consiglio & L. Setti (2018): I generi Hohenbuehelia e Resupinatus in Europa. A.M.B. Fondazione, Centro Studi Micologici, Italia.
Champignons de Charente-Maritime, Charente et Deux-Sèvres, https://www.mycocharentes.fr/pdf1/208%20918%201%20.pdf.

19 januari 2020: Bramenstromakelkje in het Amaliabos te Zoelen (Gelderland)


Bramenstromakelkje
Rutstroemia fruticeti
<i>Rutstroemia fruticeti</i>
Rinus Baggermann (2020)
Maandag 19 januari, had ik een trip naar het Amaliabos te Zoelen in gedachte. Toen ik daar eenmaal was, raakte ik verstrikt in een braamstruweel. Tijdens mijn worsteling om hieruit te komen, viel mijn oog op een dode braamstengel waarop ik een paar heel kleine bruine vlekjes ontwaarde. Onder de loep bleken het kelkjes met een wat plomp en kort steeltje te zijn. Ik vermoedde dat het wel eens het Bramenstromakelkje (Rutstroemia fruticeti) zou kunnen zijn. Uit microscopisch onderzoek van Jan Knuiman bleek dat het inderdaad het Bramenstromakelkje betrof, een zeer zeldzaam kelkje dat slechts vermeld wordt van vier atlasblokken op de Verspreidingsatlas. Van alle vijftien stromakelkjes die in Nederland voorkomen zijn er veel zeldzaam tot zeer zeldzaam. Het Eikentakstromakelkje (Rutstroemia firma) is echter zeer algemeen. Alle stromakelkjes zijn saprotrofe ascomyceten die op takjes, blaadjes, stengels of vruchten kunnen voorkomen. Voor degenen, die zich niet zo gauw laten afschrikken door wat prikkers, valt er nog heel wat te ontdekken.

Literatuur:
M.B. Ellis & J.P. Ellis (1985): Microfungi on Land Plants, blz. 235.